CAR-verzekering voor bouwbedrijven en aannemers: alles over secties, premie en doorlopende dekking

Timo van Loon

Bouwplaats Leiden met torenkraan - nieuwbouw kantoorpand aannemer CAR-verzekering bouw

Je leest dit artikel in 9 minuten

Een bouwplaats is een wereld vol risico’s. Storm tilt het dak van het in opbouw zijnde casco, een heiblok beschadigt een naastgelegen fundering, of een brand legt weken werk in de as. Voor aannemers en bouwbedrijven is de CAR-verzekering — Construction All Risk — de standaard oplossing die al deze risico’s onder één polis vangt. Niet per ongeluk staat CAR al decennialang in de bouw als een verplichte basis beschouwd, ook al schrijft de wet die verplichting alleen in specifieke contractvormen voor.

In 2026 zien we dat steeds meer grote opdrachtgevers in aanbestedingsdocumenten een geldige CAR-polis als harde eis opnemen. Tegelijk groeien de bouwsommen door materiaalstijgingen van gemiddeld 4 tot 7% per jaar, wat directe invloed heeft op de premieberekening. Dit artikel legt uit hoe een CAR-verzekering voor bouwbedrijven en aannemers werkt, wat de secties 1 tot en met 6 precies dekken, hoe je kiezen moet tussen een doorlopende en een projectmatige polis, en wanneer een MAR-montageverzekering beter past.

Wat is een CAR-verzekering en waarom is hij onmisbaar voor aannemers?

CAR staat voor Construction All Risk. De naam zegt het al: het is een allriskverzekering voor bouwprojecten, wat betekent dat alle schade gedekt is tenzij de polis een risico uitdrukkelijk uitsluit. Dat is het omgekeerde van een named-perilsverzekering, waarbij je alleen vergoed krijgt wat letterlijk in de polis staat. Voor de bouw is allrisk de enige logische keuze, want schade op een bouwplaats ontstaat op manieren die je vooraf zelden kunt voorzien.

De CAR-verzekering dekt in de basis drie hoofdrisico’s: schade aan het werk zelf (de in uitvoering zijnde constructie), aansprakelijkheid jegens derden die door de bouwwerkzaamheden schade lijden, en schade aan bestaande eigendommen van de opdrachtgever die bij het werk betrokken zijn. Afhankelijk van de gekozen secties komt daar ook dekking voor hulpmaterialen, eigendommen van personeel en tijdelijke werken bij. Aannemers die zonder CAR opereren, lopen het risico dat één tegenvaller de volledige projectmarge wegvaagt — of erger, dat ze aansprakelijk zijn voor schade bij de buren waarvoor hun AVB-verzekering geen dekking biedt omdat de schade direct verband houdt met het werk.

De secties van een CAR-polis: sectie 1 tot en met 6

Een standaard CAR-polis is opgebouwd uit afzonderlijke secties, ook wel rubrieken genoemd. Je kiest als aannemer welke secties je meeverzekert; alleen sectie 1 is bij vrijwel elke polis verplicht als basismodule.

Sectie 1 — Schade aan het werk: De kern van de CAR-verzekering. Gedekt is alle plotselinge en onvoorziene fysieke schade aan de nog niet opgeleverde constructie: storm, brand, vandalisme, instorting, constructiefouten die schade aan het werk veroorzaken (niet de fout zelf, maar de gevolgschade). De verzekerde som is de aanneemsom inclusief opdrachtgeversleveringen.

Sectie 2 — Aansprakelijkheid: Dekt schade aan derden die het gevolg is van de bouwactiviteiten, mits de schade valt binnen de risicocontour van het project. Denk aan een passant die gewond raakt door vallend materiaal, of een belendend pand dat scheuren krijgt door trillingen. Veel aannemers combineren sectie 2 van de CAR met hun bestaande AVB-verzekering om dubbele dekking te vermijden, maar de CAR-aansprakelijkheidsdekking is specifiek op bouwschade afgestemd en kent andere uitsluitingen dan een generieke AVB.

Sectie 3 — Schade aan bestaande eigendommen: Als je werkt in of aan een bestaand gebouw — een renovatie, een uitbouw, een dakopbouw — loopt de eigenaar risico dat zijn bestaande eigendom door jouw werkzaamheden beschadigt. Sectie 3 dekt die gevolgschade. Verplicht mee te nemen bij renovatieprojecten en bij werken in bewoonde panden.

Sectie 4 — Hulpmateriaal: Steigers, bekistingen, damwanden, bouwketen, loodsen, hijsmiddelen en gereedschappen die je inzet voor het project maar niet in het werk opgaan. Deze materialen zijn vaak kostbaar: een moderne rolsteiger kost al snel 15.000 euro, en een complete bekistingset voor een kelderverdieping kan oplopen tot 80.000 euro. Sectie 4 dekt verlies, diefstal en beschadiging van dit hulpmateriaal op de bouwplaats.

Sectie 5 — Eigendommen van bouwdirectie en personeel: Persoonlijke spullen van medewerkers en opdrachtgevers die op de bouwplaats aanwezig zijn, zoals werkkleding, gereedschappen van vaklieden en laptops van uitvoerders. De bedragen per sectie 5 zijn doorgaans beperkt (200 tot 500 euro per persoon), maar het voorkomt conflicten bij diefstal uit een bouwkeet.

Sectie 6 — Overige uitbreidingen: Afhankelijk van de verzekeraar omvat sectie 6 (of wordt aangeduid als aanvullende modules) specifieke uitbreidingen zoals: elektronicadekking voor meetapparatuur en BIM-stations op de bouwplaats, overlopende waterrisico’s bij tijdelijke damconstructies, en nazorgdekking voor schade die na oplevering aan het licht komt maar al tijdens de bouw is ontstaan. Nazorgdekking is relevant omdat verborgen gebreken soms pas maanden na oplevering zichtbaar worden.

Doorlopende CAR-verzekering versus projectpolis

Voor bouwbedrijven die meerdere projecten per jaar uitvoeren, is de doorlopende CAR-verzekering bijna altijd de slimmere keuze. Bij een doorlopende polis sluit je eenmalig een contract af op basis van je verwachte jaaromzet of totale aanneemsom. Alle projecten die je binnen het contractjaar start, vallen automatisch onder de polis — je hoeft niet voor elk project apart in te schrijven of een aanvangsdatum door te geven.

De voordelen van een doorlopende CAR zijn duidelijk: geen administratieve rompslomp per project, geen kans dat je vergeet een polis af te sluiten vóór de eerste paal de grond in gaat, en doorgaans een lagere premie per euro omzet dan bij losse projectpolissen. Verzekeraars als Allianz, Interpolis en de Goudse bieden doorlopende CAR-contracten aan waarbij de eindafrekening jaarlijks plaatsvindt op basis van de werkelijk gerealiseerde bouwsom.

Een projectmatige CAR — ook wel de aflopende CAR of eenmalige projectpolis — sluit je af voor één specifiek project. Dit is zinvol voor aannemers die zelden bouwen (minder dan twee of drie grote projecten per jaar), voor buitenlandse aannemers die incidenteel in Nederland werken, of voor opdrachtgevers die de CAR zelf afsluiten en alle betrokken partijen als meeverzekerd opnemen. Bij grote infrastructuurprojecten is het gangbaar dat Rijkswaterstaat of ProRail als opdrachtgever een project-CAR afsluit en de aannemer daarin meeverzekert — dat neemt niet weg dat de aannemer zijn eigen AVB en soms eigen hulpmateriaaldekking apart regelt.

Premie als percentage van de bouwsom: hoe werkt de berekening?

De premie voor een CAR-verzekering wordt traditioneel uitgedrukt als een promillage of percentage van de verzekerde bouwsom. De bandbreedte in de markt voor 2026 ligt ruwweg tussen de 0,08% en 0,35% van de aanneemsom, afhankelijk van het type werk, de gekozen secties en de schadehistorie van het bouwbedrijf.

Ter illustratie: bij een nieuwbouwproject van 2,5 miljoen euro met een doorlopende CAR inclusief secties 1, 2 en 3, en een premiepercentage van 0,15%, betaal je als aannemer 3.750 euro premie voor dat project. Kies je voor een volledig pakket inclusief secties 4 en 6, dan loopt het percentage op naar 0,20 tot 0,25%, wat uitkomt op 5.000 tot 6.250 euro. Bij een jaaromzet van 10 miljoen euro met gemiddeld risicowerk ligt de totale jaarlijkse doorlopende CAR-premie in de praktijk tussen de 12.000 en 25.000 euro.

Factoren die de premie omhoog sturen: werken in of nabij bestaande bebouwing (verhoogd risico sectie 3), diepbouwprojecten met grondwaterrisico, hoogbouw boven 20 meter, uitvoering als onderaannemer voor meerdere hoofdaannemers (meer partijen betekent meer aansprakelijkheidsvragen), en een ongunstige schadehistorie. Factoren die de premie drukken: moderne veiligheidsmanagementsystemen (VCA-certificering), een laag eigen risico dat je zelf wil dragen, en een langlopende relatie met de verzekeraar.

Certificaten worden in een doorlopende polis doorgaans automatisch meeverzekerd als je een project aanmeldt of als de verzekeraar akkoord gaat met de jaaromzetopgave. Sommige verzekeraars vereisen dat je bij projecten boven een bepaalde drempel — vaak 5 of 10 miljoen euro aanneemsom — een aparte melding doet zodat zij aanvullende voorwaarden kunnen stellen.

CAR of MAR: wanneer kies je voor een montageverzekering?

Naast de CAR bestaat de MAR: de Montageverzekering All Risk. Waar de CAR is ontworpen voor bouwkundige werkzaamheden (fundering, ruwbouw, casco, afbouw), dekt de MAR specifiek montage- en installatiewerk. Denk aan het plaatsen van een industriële machinelijn in een fabriek, het monteren van een windturbine of het installeren van een complexe klimaatinstallatie in een utiliteitsgebouw.

Het onderscheid is niet altijd scherp. Een installatiebedrijf dat leidingwerk in een nieuwbouwproject aanlegt, werkt op een bouwplaats en valt onder de CAR van de hoofdaannemer of sluit zelf een CAR af. Datzelfde installatiebedrijf dat een koelinstallatie plaatst in een bestaand bedrijfspand, voert montagewerk uit en heeft een MAR nodig. De vuistregel: gaat het primair om bouwen en verbouwen, dan CAR; gaat het primair om het installeren en aansluiten van technische systemen in een bestaande omgeving, dan MAR.

In de praktijk bieden de meeste verzekeraars gecombineerde CAR/MAR-polissen aan, zodat aannemingsbedrijven die zowel bouwkundig als installatietechnisch werk uitvoeren niet twee aparte polissen hoeven te beheren. De dekking en secties zijn nagenoeg identiek; het verschil zit in de definitie van het verzekerd object en de wijze waarop de bouwsom of montagesom bepaald wordt.

Wie zijn meeverzekerd op de CAR-polis?

Een belangrijk kenmerk van de CAR-polis is dat hij meerdere partijen tegelijk als verzekerde opneemt. Op een typische bouwproject-CAR zijn naast de hoofdaannemer ook de opdrachtgever, alle onderaannemers en leveranciers die op de bouwplaats werken, en soms de architect of constructeur als projectdeelnemer meeverzekerd. Dit voorkomt dat partijen bij schade onderling gaan procederen over wie aansprakelijk is — de CAR-polis regelt de schade en voorkomt regres tussen medeverzekerde partijen.

Let wel: onderaannemers zijn meeverzekerd voor het werk dat zij in opdracht van de hoofdaannemer uitvoeren. Schade aan hun eigen gereedschappen en werktuigen is in de basis niet gedekt; daarvoor hebben onderaannemers een eigen inventarisverzekering of machinebreukpolis nodig. Hetzelfde geldt voor de aansprakelijkheid van onderaannemers jegens partijen buiten het project: die loopt via de eigen AVB van de onderaannemer, niet via de CAR van de hoofdaannemer.

Veel aanbestedingen vereisen tegenwoordig dat de aannemer bij inschrijving een geldig CAR-certificaat overlegt. Dat certificaat is een beknopt bewijs van de polisomschrijving, de verzekerde som en de looptijd — vergelijkbaar met het groene kaartje bij een autoverzekering. Bij doorlopende polissen geeft de verzekeraar op verzoek een projectcertificaat af waarmee de aannemer aan de opdrachtgever aantoont dat het specifieke project onder de doorlopende dekking valt. Dit is standaardpraktijk bij Rijkswaterstaat-aanbestedingen, gemeentelijke bouwprojecten en projecten van woningcorporaties.

Uitsluitingen die elke aannemer moet kennen

Allrisk is niet hetzelfde als allesdekkend. De standaard CAR-polis sluit een aantal risico’s uit die je als aannemer goed moet kennen. Slijtage en normaal gebruik zijn nooit gedekt: een betonmolen die na jaren intensief gebruik het begeeft, valt niet onder de CAR maar onder een machinebreukpolis. Gevolgschade door fouten in het ontwerp — de constructief verkeerde berekening van een ingenieur — is in de meeste polissen uitgesloten, al dekt de polis wel de schade die de fout veroorzaakt aan omliggende delen van het werk.

Bodem- en grondwaterverontreiniging vereist in vrijwel alle gevallen een aparte milieuschadeverzekering. Asbest- en bodemverontreinigingsrisico’s bij sloopwerk zijn standaard uitgesloten en vereisen een gespecialiseerde polis. Bij nieuwbouw op verontreinigde grond is het dan ook verstandig al in de planningsfase met een verzekeringsadviseur om tafel te gaan, zodat er geen dekkingsgaten ontstaan.

Ook cyberschade staat standaard buiten de CAR. Nu bouwplaatsen steeds meer gedigitaliseerd zijn — BIM-modellen, drones voor voortgangsinspecties, IoT-sensoren in de fundering — is het verstandig om ook een cyberverzekering in het pakket op te nemen. Zeker nu sabotage van digitale bouwprocessen een reeel risico is geworden.

Als bouwbedrijf doe je er verstandig aan de CAR-verzekering jaarlijks te evalueren met een onafhankelijk adviseur. Groeien je projecten in omvang of verschuift je werkterrein naar renovaties of internationaal werk, dan veranderen je risicoprofiel en je verzekeringsbehoeften mee. De Rijksoverheid publiceert actuele informatie over bouwregelgeving en aanbestedingseisen die invloed hebben op verzekeringsverplichtingen. De AFM houdt toezicht op verzekeraars en verzekeringstussenpersonen en biedt richtlijnen voor de markt.

Meer over bedrijfsverzekeringen voor aannemers en bouwers lees je in onze overzichten over bedrijfsverzekeringen en zakelijke aansprakelijkheid. Vergelijk je opties bij meerdere verzekeraars en laat een gespecialiseerde adviseur de doorlopende CAR op maat configureren voor jouw type projecten.

Veelgestelde vragen

Is een CAR-verzekering verplicht voor aannemers?

Er is geen wettelijke verplichting voor aannemers om een CAR-verzekering te hebben. In de praktijk stellen echter steeds meer opdrachtgevers — gemeenten, woningcorporaties, Rijkswaterstaat — een geldige CAR-polis als harde eis bij aanbestedingen. Daarnaast vereisen UAV- en UAV-GC-contracten in bepaalde clausules een CAR-dekking. Werkt een aannemer zonder CAR en ontstaat er schade, dan is het risico voor eigen rekening — wat bij grotere projecten een bedrijfsbedreigende situatie kan worden.

Wat is het verschil tussen een projectpolis en een doorlopende CAR?

Een projectpolis dek je voor één specifiek bouwproject af: je geeft de aanneemsom op, de looptijd en de betrokken partijen, en de polis eindigt bij oplevering. Een doorlopende CAR-verzekering dekt alle projecten die een bouwbedrijf binnen een contractjaar uitvoert, op basis van de jaaromzet of de totale verwachte bouwsom. Voor bedrijven die meerdere projecten per jaar draaien, is een doorlopende polis administratief eenvoudiger en doorgaans ook goedkoper per euro omzet.

Hoe hoog is de premie voor een CAR-verzekering als percentage van de bouwsom?

De marktpremie voor een CAR-verzekering ligt in 2026 ruwweg tussen de 0,08% en 0,35% van de aanneemsom, afhankelijk van het risicoprofiel, de gekozen secties en de schadehistorie van het bouwbedrijf. Voor standaard nieuwbouwprojecten met secties 1, 2 en 3 is een percentage van 0,12% tot 0,18% realistisch. Complexere projecten — zoals renovaties in bewoonde panden of diepbouwprojecten in stedelijk gebied — betalen een opslag die het percentage naar 0,25% of hoger kan stuwen.

Wat is het verschil tussen een CAR- en een MAR-verzekering?

De CAR (Construction All Risk) is bedoeld voor bouwkundige projecten: nieuwbouw, renovatie, verbouw en sloop. De MAR (Montage All Risk) dekt montage- en installatiewerk, met name het plaatsen en aansluiten van technische installaties in bestaande gebouwen of industriele omgevingen. De structuur van beide polissen — met secties voor schade aan het werk, aansprakelijkheid en hulpmateriaal — is vergelijkbaar. Aannemingsbedrijven die zowel bouwkundig als installatietechnisch werk uitvoeren, kiezen in de praktijk vaak voor een gecombineerde CAR/MAR-polis.

Zijn onderaannemers automatisch meeverzekerd op de CAR van de hoofdaannemer?

Ja, in de regel zijn onderaannemers meeverzekerd op de CAR-polis van de hoofdaannemer voor de werkzaamheden die zij in het kader van het project uitvoeren. Dit geldt voor schade aan het werk en aansprakelijkheid jegens derden. Eigen gereedschappen, materiaal en voertuigen van de onderaannemer vallen doorgaans buiten de dekking van de hoofdaannemerCAR; daarvoor heeft de onderaannemer eigen polissen nodig. Het is verstandig om de verzekeringsbepalingen per project vast te leggen in het onderaannemerscontract.

Welke uitsluitingen moet ik kennen als aannemer?

De meest relevante uitsluitingen in een standaard CAR-polis zijn: normale slijtage en onderhoud, ontwerpfouten (wel gevolgschade aan het werk), bodem- en grondwaterverontreiniging, asbest- en saneringskosten, en cyberschade. Bij sloopwerk of bouw op mogelijk verontreinigde grond zijn aanvullende polissen nodig. Cyberschade vraagt extra aandacht nu bouwplaatsen steeds meer digitaal werken met BIM-software, drones en sensortechnologie.

Tekst geoptimaliseerd in mei 2026.


Geef een reactie